Vakantie in het Midden-Oosten

Een deel van dit hoofdstuk van Jelmer en Tom gaat over hun eerste kennismaking, een half jaar eerder, nog voor hoofdstuk 1 van deze serie.

Jelmer was enige tijd voor hij Tom leerde kennen zijn beide Friese grootouders verloren door een ernstig ongeval op de A31, de provinciale weg naar Sneek, destijds ook wel de dodenweg genoemd. Dat feit alleen al had een grote impact op het Leven van Jelmer. Zijn grootvader, opa Hiemstra, was min of meer de tweede vader van Jelmer. Jelmer bracht zijn hele jeugd als enig kleinkind veel tijd met hem door vanwege de regelmatige afwezigheid van beide ouders. Dit, door drukke carrières, heel vaak niet thuis zijn, en in het buitenland werken. Het was daardoor de gewoonste zaak van de wereld geworden dat Jelmer dus veel tijd met zijn grootouders, maar vooral met opa Bouke doorbracht. Samen de natuur in, samen vissen in een roeibootje tot in de late avonden op de Friese meren, hutten bouwen, paardrijden, kampvuren maken, paddenstoelen zoeken en samen kokkerellen en heel veel andere leuke dingen. Tot de dag dat het fatale ongeval plaats vond.

Het leven van Jelmer stond vanaf dat moment helemaal op zijn kop. Waar moest hij nou blijven? Helemaal alleen in een groot koud huis als zijn ouders er voor de zoveelste keer weer eens niet waren. Af en toe kwamen zijn schoolvrienden Tjeerd en Sytzke een avondje, en soms mochten ze blijven overnachten. Ze hielpen Jelmer bij het verwerken van het verlies van zijn beide grootouders alleen al door er voor hem, en ook bij hem te zijn. In het begin toen Jelmer nog erg verdrietig was gaven ze hem zelfs heel vaak een stevige knuffel, Sytzke gaf dan zelfs wel es een kus op Jelmer zijn wang, en had dan zelf ook de tranen in zijn ogen van het medeleven.

Maart 1996. In het weekend als Jelmer zijn ouders thuis waren gingen ze meestal op zondag naar de andere grootouders in de randstad. Maar dat was altijd zo saai, op een flat, midden in een grote drukke stad. Dan zit je daar maar te luisteren naar de gesprekken van je ouders en je grootouders, en verder niks want je kent er niemand en verder heg nog steg, ja, je heb een spannend boek bij je, maar that’s it.

Af en toe liep ik wel es even naar buiten om een luchtje te scheppen, want voor de flat was een grasveld en een pleintje met een oorlogsmonument en een klein winkelcentrum. Er waren daar jongens balletje aan het trappen of een partijtje tennis aan het spelen in de zon. Ik ging dan meestal op de sokkel van het oorlogsmonument zitten om er naar te kijken. Niemand in het bijzonder had aandacht voor een eenzaam Fries manneke. Soms zei iemand wel es ‘hoi’, maar daar bleef het dan ook bij.

Enkele weken later, het was half maart, waren we weer in de randstad. Ik zat weer te luisteren naar de saaie conversatie en hoorde onder ons, in de woning op de begane grond allemaal gebonk, rumoer, stemmen en heen en weer lopen van mensen die het ergens heel druk mee leken te hebben. Ik vroeg wat er beneden aan de hand was. ‘O, zei oma, ‘we hebben sinds deze week nieuwe onderburen gekregen, een leuk gezin met twee kinderen, een leuke jongen en een meisje. Ze zijn nog bezig om alles op orde te krijgen en daarom hoor je af en toe dat ze het er nog druk mee hebben’. ‘De vader des huizes is een collega van je opa’.

Toen ik even later voor het raam stond zag ik een leuke jongen beneden het portiek uit komen lopen. Lang, atletisch, en donker krullerig haar, met een baggy jeans, bruine schoenen en een loshangend houthakkershemd met een wit shirt er onder. Dat moest wel de buurjongen van beneden zijn. Mijn hart sloeg over, wat een knapperd, wat een schoonheid, daar moest ik op af, nu meteen! Haastig m’n schoenen aan en snel naar buiten. Daar zat hij! Precies op de plek waar ik ook altijd zat. Hij zat daar met z’n benen gestrekt, z’n gespierde armen achter zich en zijn sproetenneus rechtuit in het zonnetje gestoken, met zijn kin een beetje omhoog. Hij had z’n ogen dicht. Ik had een strakke 501 aan met een lichtgeel shirtje, een rood baseballjack met witte mouwen en witte sportschoenen. Quasi nonchalant liep ik langs hem heen, keek naar hem, en ging twee meter van hem vandaan zitten met m’n handen in de zakken van het jack.

Ik bleef recht voor me uit kijken en hoorde alleen maar de geluiden en de stemmen van de mensen die een balletje aan het trappen waren of die andere dingen deden. Langzaam draaide ik m’n hoofd iets in de richting van de jongen die een stukje verder naast me zat en keek schuin naar hem met mijn ogen op zijn knappe gezicht gericht. Ik zag zijn van sproeten voorziende wipneus glimmen in het zonlicht en hij had een vage glimlach om zijn mondhoeken. Hoe kon ik nou zijn aandacht trekken, ik kon niet zomaar iets tegen hem gaan zeggen, dat kon echt niet. Maar opeens wist ik het. Het was eigenlijk niet nodig, maar ik pakte mijn inhalator uit mijn binnenzak, stak hem in mijn mond en nam er een teug uit, en dat gaat dan gepaard met een apart maar toch wel aandachttrekkend geluid. Weer keek ik schuin onderuit naar de jongen naast me.

Ik schrok, hij zat met zijn gezicht naar me toe gedraaid en keek me geïnteresseerd aan met een mooie glimlach. Verlegen draaide ik mijn hoofd snel weer recht en keek strak voor me uit. ‘Heb je astma?’ Ik knikte, en keek hem weer aan. ‘Dat is niet zo mooi, maar misschien groei je er wel overheen, je bent nog piepjong’. ‘Ik ben bijna zestien hoor’ zei ik. ‘O’ ,zei de jongen, ‘dan kan dat nog makkelijk’. ‘Ik had je wel iets jonger geschat, mij zien ze altijd voor wat ouder aan’. Hij schoof een heel stuk naar mij op en stak zijn hand naar me uit, en ik gaf hem de mijne. ‘Ik ben Tom Meijer, en ben hier net komen wonen’, hij wees naar de woning. Ik stelde me ook voor, Jelmer Hiemstra uit Oudega in Friesland, maar hij bleef mijn hand vasthouden en me aankijken met zijn glimlachende ogen.

Hij had opvallend mooie groene ogen met een dun zwart randje er omheen. Ik kon hem niet aan blijven kijken en sloeg mijn ogen neer. Hij schoof weer een heel stuk op naar mij toe en kwam bijna tegen me aan zitten, ik kon zijn uitstraling gewoon voelen. Ik vertelde hem dat ik met mijn ouders op visite was bij zijn bovenburen en dat we bijna elke zondagmiddag hier waren. ‘O, dat is leuk, dan zie ik je iedere week’ ,zei Tom. We raakten verder aan de praat om zo tot de ontdekking te komen dat we best wel veel overeenkomstige interesses hadden. We deden zo goed als dezelfde opleiding, hielden van dezelfde soort muziek, uitgaan was niet echt ons ding maar een avondje naar de film was wel leuk. Alleen paardrijden, polsstokspringen, en vissen was hier jammer genoeg niet aan de orde, ha ha ha.